Review: Anton Corbijn 1972-2024: vier kilo onvolmaaktheid die je niet snel weglegt

Portret van Anton Corbijn (2015) door Stephan Vanfleteren anton corbijn the hague mars 2015, door Stephan Vanfleteren

Mijn vriendin liep mank de huiskamer binnen op mijn 52e verjaardag. Ze leunde naar één kant, pufte hoorbaar en zette een pakje op tafel met een dreun die mijn koffiemok deed rinkelen. Ik wist het meteen: Corbijn, Anton… 1972-2024. Het is geen boek dat je cadeau geeft, het is een gebaar. Meer dan vier kilo, 560 pagina’s, een formaat dat de meeste boekenkasten beledigt. En terwijl ik het als een kind zo blij opensloeg, vroeg ik me af: wat zegt een oeuvre van vijftig jaar over de ontwikkeling die een fotograaf doormaakt?

TL;DR

Corbijn, Anton… 1972-2024 (Hannibal, € 145) is een monumentaal overzichtswerk van 560 pagina’s dat vijftig jaar fotografiegeschiedenis documenteert. Het drukwerk is uitzonderlijk. De redactie is te mild. Voor fotografen zit de echte waarde in Corbijns filosofie: imperfectie als keuze, vertrouwen als werkmethode en handschrift boven techniek. Waardering: 4 uit 5.

Het boek dat je niet op de bank doorbladert

Er zijn fotoboeken die je koopt voor de koffietafel en fotoboeken die je koopt omdat je er iets van wilt leren. Dit is het beiden maar het weigert zich te gedragen als het eerste. Je kunt Corbijn, Anton… 1972-2024 niet even snel doornemen. Het is te zwaar om even op schoot te houden en te groot om neer te leggen op een gewone tafel zonder dat het iets anders van de rand duwt. En dat is fijn! Je moer voor gaan zitten en het format zorg er voor dat foto’s echt tot hun recht komen.

Uitgeverij Hannibal uit Veurne heeft het drukwerk serieus genomen: de zwarten zijn diep zonder dicht te lopen, de grijswaarden behouden hun tekening en het papier absorbeert net genoeg om de korrel van Corbijns negatieven te laten ademen. Bij een fotograaf die zijn halve oeuvre in zwart-wit heeft opgebouwd, is dat geen bijzaak. Dat is het verschil tussen een eerbetoon en een catalogus. Dat het best wat moeite heeft gekost merk ik aan het gevoel van het drukwerk, er is aardig wat anti-smetpoeder gebruikt. Maar wat ruikt het drukwerk lekker.

De aanleiding voor deze uitgave is dubbel. Anton Corbijn werd in 2025 zeventig jaar oud en zijn loopbaan overspant meer dan vijftig jaar.

De titel zegt al iets. Corbijn, Anton… met die komma en die puntjes leest als een naam op een archiefkaart of een klassenlijst. De maker als dossier, niet als merk. Voor een fotograaf wiens beelden zo herkenbaar zijn dat ze bijna een handelsmerk zijn geworden, is die bescheidenheid een bewuste keuze. Of een goed geconstrueerde bescheidenheid. Dat onderscheid maakt het boek helaas niet.

Zonder diploma

Anton Johannes Gerrit Corbijn van Willenswaard werd in 1955 geboren in Strijen, een dorp in de Hoeksche Waard. Zijn vader was hervormd predikant. Zijn eerste foto’s maakte hij met de camera van zijn vader. Hij werd op geen enkele kunstacademie toegelaten omdat zijn werk niet goed genoeg werd bevonden. Dat staat in zijn eigen tekst in dit boek, verteld zonder bitterheid. Hij leerde het vak al doende en dat zie je.

Zijn eerste publicatie dateert van 1972: de Nederlandse progrockband Solution op de Grote Markt in Groningen, gepubliceerd in Muziek Parade. Vandaar het beginjaar in de titel. Daarna volgde OOR vanaf 1975, Herman Brood in een café, en in 1979 de stap naar Londen. Zijn eerste cover van de NME verscheen in januari 1980. Voor Nederlandse lezers van een bepaalde generatie zit de herkenning niet in de U2-hoezen maar in de OOR’s eerste Nederlandse Popencyclopedie: tientallen zwart-witfoto’s met steeds dezelfde naam eronder. Ook ik had een heel aantal jaargangen op mijn slaapkamer staan.

Wat het boek van voor naar achter leesbaar maakt, is dat de chronologie hier werk doet. Je ziet hoe langzaam en eigenzinnig dit oeuvre is opgebouwd. Geen plotselinge stijlbreuk, geen moment waarop hij besloot beroemd te worden. Eerder een geleidelijke verdieping van hetzelfde handschrift. En dat handschrift is precies wat jij als fotograaf kunt bestuderen, ook als je nooit van plan bent een rockster te fotograferen.

Wat Anton Corbijn je leert over je eigen fotografie

Corbijns eigen definitie van een geslaagde foto is streng en bruikbaar. De foto moet iets zeggen over de geportretteerde. Hij moet iets zeggen over de fotograaf. En hij mag nooit eerder op die manier gemaakt zijn. Dat derde criterium is het lastigst, en het is ook het enige dat je niet kunt leren door een technische cursus te volgen. Het vraagt dat je weet wie je bent als fotograaf, en dat kost tijd.

Over perfectie is Anton Corbijn ondubbelzinnig: imperfectie ademt, perfectie is dood. Dat klinkt als een makkelijke uitspraak, maar kijk naar zijn beelden en je ziet wat hij bedoelt. Lange sluitertijden waardoor beweging zichtbaar blijft in handen en schouders. Korrel die nooit is weggepoetst. Gezichten die een fractie te vroeg of te laat zijn vastgelegd. Op papier is dat een technische keuze: zet een langere sluitertijd in en de imperfectie komt vanzelf. De reden dat het bij Corbijn werkt en bij zijn navolgers niet, is dat hij precies weet welke imperfectie hij zoekt. Dat leer je alleen door veel te fotograferen en je eigen mislukkingen serieus te nemen.

Zijn invloeden noemt hij zelf: Ed van der Elsken voor de directheid, Robert Frank voor het losse en melancholische, Josef Koudelka voor het drama en de eenzaamheid, Man Ray voor de vervreemding. Daarbij komen twee filmregisseurs: Tarkovski voor de traagheid en het licht, Bergman voor het zwart-wit en de close-up. Wat je in dit boek ziet gebeuren is hoe die invloeden samensmelten tot iets wat na een paar honderd pagina’s onmiskenbaar is. Dat proces van assimileren en daarna loslaten is precies wat jij ook doet als je lang genoeg naar het werk kijkt van fotografen die je bewondert. Je begint met imiteren. Op een gegeven moment maak je per ongeluk iets wat van jou is.

Vertrouwen als werkmethode

De namen in dit boek zijn bekend: U2 vanaf 1983, Depeche Mode vanaf 1986, Nick Cave, Tom Waits, Michael Stipe. Wat het boek zichtbaar maakt is dat die langdurige relaties geen bijproduct zijn van succes maar een voorwaarde voor het werk zelf. Je krijgt geen onbewaakt moment van iemand die je een uur kent. Je krijgt het van iemand die je twintig jaar kent.

Dat is een les die verder gaat dan beroemde onderwerpen. Ik fotografeer geen rocksterren, en jij waarschijnlijk ook niet. De beste foto’s die ik ooit van iemand heb gemaakt, waren altijd na een half uur, nooit in de eerste tien minuten. Mensen die weten dat ze gefotografeerd worden, doen eerst hun best om er goed uit te zien. Daarna vergeten ze het. Dat vergeten is het moment dat je zoekt.

Corbijn bouwde dat vertrouwen over jaren. Hij werd niet alleen fotograaf van U2 maar ook hoesontwerper en clipmaker. Hij bepaalde mede hoe die artiesten eruitzagen, en dus hoe we ze ons herinneren. Dat is een fascinerende positie: tegelijk waarnemer en beeldbepaler. Het boek stelt die vraag helaas niet. De teksten zijn geschreven door mensen die van hem houden, en dat merk je. Adam Clayton, Marlene Dumas, Tom Waits en journalist Johan Faes schreven in dit boek stukken die eerder getuigenis zijn dan analyse. Dumas is het scherpst: zij ziet in portretfotografie een in wezen donker vak, gemaakt van diepe schaduw en toevallig licht. Dat is een betere karakterisering van Corbijns werk dan de meeste tentoonstellingsteksten die er ooit over zijn geschreven.

De twee reeksen die je niet moet overslaan

De grootste verdienste van dit boek is dat het niet blijft hangen in de bekende beelden van de bekende artiesten. Twee reeksen verdienen aparte aandacht.

De eerste zijn de kleurenfoto’s die Corbijn maakte met een zaklamp. In volstrekte duisternis liet hij de sluiter openstaan en verlichtte hij met de hand wat hij wilde vastleggen. Eurythmics, Depeche Mode en Don Van Vliet stonden ervoor model. Het resultaat is bevreemdend: schilderen met licht in het donker, letterlijk. Dit is technisch het minst controleerbare wat hij ooit heeft gedaan. Misschien daarom het meest levendige. Als je ooit met een open sluiter en een zaklamp hebt gespeeld, weet je hoe snel dit fout gaat. Als je het goed wilt doen, heb je een helder beeld nodig van wat je wilt zien voordat je de sluiter opent. Corbijn had dat beeld.

De tweede reeks is a.somebody uit 2001-2002. Corbijn verkleedt zich als zijn overleden muzikale helden: Hendrix, Sid Vicious, Lennon. Grotendeels in zelfgemaakte kleding, gefotografeerd in en rond Strijen. Op het eerste gezicht komisch. Dat is niet de bedoeling. De reeks gaat over de dood in zijn geboorteplaats, over de botsing tussen zijn muzikale fascinatie en de protestantse hiernamaals-gerichtheid van zijn ouders. Het is het meest kwetsbare werk in het boek. Het enige waarin hij zelf de rol van onbewaakt onderwerp op zich neemt. In de retrospectieve Hollands Deep in het Gemeentemuseum Den Haag in 2015 werden deze zelfportretten naast de echte portretten van dezelfde muzikanten getoond. Die keuze ontbreekt hier, en dat is jammer. Het was de sterkste redactionele ingreep van zijn hele carrière.

Waar dit boek je teleurstelt

Er is een prijs voor 560 pagina’s, en die is niet alleen € 145. Ergens rond pagina driehonderd, na Sinéad O’Connor, Miles Davis, Frank Sinatra, Nelson Mandela, Lucian Freud, Isabelle Huppert en Anselm Kiefer, begint het procedé zichtbaar te worden waar eerst alleen het gezicht was. Corbijns kracht is de intensiteit van het individuele beeld. Die intensiteit slijt bij massa. Een strengere redactie had dit boek beter gemaakt. Het is te veel.

De tekst is Engels, met Nederlandse vertalingen in een los bijgevoegd boekje. Dat boekje raakt binnen een week zoek. Bij een fotograaf die zo nadrukkelijk uit Strijen en Groningen komt, en die door een Vlaamse uitgever wordt uitgegeven, voelt die keuze onhandig. De meegeleverde poster is een aardigheid die weinig verandert aan wat je hier koopt.

De wezenlijkste tekortkoming is dat dit boek viert in plaats van bevraagt. De vraag die zich opdringt bij een oeuvre als dit, namelijk wat het betekent dat de meest herkenbare beeldtaal van vijftig jaar popmuziek is gemaakt door iemand die tegelijk vriend en beeldbepaler was van diezelfde artiesten, blijft ongesteld. Dat is fascinerend materiaal voor een essay. Het ontbreekt.

Dan komt er weer een bladzijde waarop John Lydon in 1979 in Londen staat, of John Martyn in 1986 op de South Downs, en dan doet die kritiek er even niet toe. Wat Anton Corbijn kan en wat vrijwel niemand hem nadoet, is een beroemd mens fotograferen alsof beroemdheid er niet toe doet. Dat het menselijke falen erin zit, zijn eigen woorden, is niet de zwakte van dit werk. Het is de reden dat het blijft.

Aanbevolen voor wie Anton Corbijn kent van de hoezen en het oeuvre erachter wil zien. Minder geschikt als eerste kennismaking: begin dan bij een kleinere monografie.

Veelgestelde vragen

Wat kost het fotoboek Anton Corbijn 1972-2024 en waar koop je het?

Het boek is uitgegeven door Hannibal in Veurne en kost € 145. Het is verkrijgbaar via gespecialiseerde boekhandels en online via de website van de uitgever. Het bevat 560 pagina’s, een losse poster en een Nederlandstalig tekstboekje.

Wat is de fotografiestijl van Anton Corbijn?

Anton Corbijn werkt voornamelijk in zwart-wit met lange sluitertijden, zichtbare korrel en hoog contrast. Hij zoekt het onbewaakte moment bij mensen die professioneel bewaakt worden. Zijn invloeden zijn onder anderen Ed van der Elsken, Robert Frank, Josef Koudelka en de filmregisseurs Tarkovski en Bergman. Techniek is bij hem altijd ondergeschikt aan expressie.

Is het Anton Corbijn fotoboek ook geschikt voor beginnende fotografen?

Het boek is geen technische handleiding maar een oeuvreoverzicht. Voor beginners is het inspirerend vanwege Corbijns filosofie over imperfectie en handschrift. Als eerste kennismaking met zijn werk is een kleinere monografie toegankelijker. Voor gevorderde fotografen biedt het boek veel materiaal om de ontwikkeling van een persoonlijk handschrift over vijftig jaar te bestuderen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *