10 oefeningen die je nieuwe camera tot je tweede natuur maken

Jonge fotograaf bestudeert aandachtig de instellingen van zijn camera in een warm verlicht studio-appartement met bokeh achtergrond

Je hebt een nieuwe camera in handen. Gloednieuw. Die geur van vers plastic en leer. Je vingers jeuken om eropuit te trekken en meteen die ene geweldige foto te maken. Ik snap dat helemaal. Toch gaat het hier soms fout. Mensen schieten honderd foto’s in de automatische stand en vragen zich af waarom alles er uitziet alsof hun telefoon het ook had gekund. Je nieuwe camera is een instrument. Zoals een pianist eerst toonladders speelt, zo moet jij eerst de knoppen en menu’s in je vingers krijgen. Niet omdat het moet maar juist omdat het je vrij maakt. Zodra je blind weet waar je diafragma zit en hoe je focuspunt verspringt hoef je er niet meer over na te denken. Dan fotografeer je op gevoel. Dan wordt die camera een verlengstuk van je oog. Ik heb tien opdrachten samengesteld die precies dat doen. Geen droge theorie, geen ellenlange handleidingen. Gewoon tien keer je camera pakken en iets specifieks uitproberen. Na deze tien opdrachten ken je jouw nieuwe camera van binnen en van buiten.

TL;DR Een nieuwe camera kopen is leuk. Hem echt leren kennen is nog leuker. Met deze tien gerichte opdrachten train je stap voor stap de belangrijkste technische functies van je camera. Van sluitertijd tot witbalans, van autofocus tot belichtingscompensatie. Elke opdracht duurt hooguit een halfuur en levert je direct zichtbaar resultaat op. Doe ze allemaal en je schiet daarna met vertrouwen in elke situatie.

Tien opdrachten die je nieuwe camera tot je beste vriend maken

Elke opdracht hieronder richt zich op één specifiek aspect van je camera. Doe ze bij voorkeur in deze volgorde. Ze bouwen namelijk op elkaar voort. Neem voor elke opdracht een halfuur de tijd. Bekijk daarna je resultaten op een groot scherm, niet op dat kleine LCD-schermpje. En wees eerlijk tegen jezelf over wat wel en niet werkt (voor jou!). Nog een opmerking voor we aan de slag gaan: je Fujifilm-camera heeft iets andere prioriteits-instellingen (ik vind ze beter). Check even je handleiding.

Opdracht 1: de sluitertijd-safari

Zet je camera in de sluitertijd-prioriteit (S of Tv op je keuzewiel). Je camera laat je nu de sluitertijd bepalen en regelt de rest automatisch voor je. Zoek een bewegend onderwerp. Dat kan een fietser zijn, een rennende hond of zelfs een draaiende ventilator. Maak van hetzelfde onderwerp foto’s met vijf verschillende sluitertijden: 1/1000s, 1/500s, 1/125s, 1/30s en 1/8s. Bekijk daarna het verschil. Bij 1/1000s is alles bevroren. Bij 1/8s wordt beweging een veeg. Tussen die twee uitersten zit een heel spectrum aan creatieve mogelijkheden. De sluitertijd bepaalt hoe je camera tijd vastlegt. Een snelle sluitertijd (kort) bevriest een moment. Een langzame sluitertijd laat tijd vloeien. Wat je hier leert is niet alleen welke sluitertijd je wanneer nodig hebt. Je leert ook hoe je camera reageert. Hoe het diafragma automatisch meebeweegt om de belichting te compenseren. Hoe je bij langzame sluitertijden een statief nodig hebt omdat je handen trillen. Probeer ook eens een foto van stromend water (bijvoorbeeld een kraan) bij 1/15s. Je zult verbaasd zijn hoe zijdezacht dat eruit ziet. Wat is goed en wat is fout? Dat bepaal jij als artiest. Een hardloper gestoken scherp is mooi, maar ook een hardloper met motion blur is prachtig!

Opdracht 2: diafragma-portret

Nu draai je het keuzewiel naar diafragma-prioriteit (A of Av). Jij bepaalt het diafragma, de camera maakt zich druk om de rest. Zoek een onderwerp met een rommelige achtergrond. Je weet vast wel waar ik het over heb 😉 Een koffiemok op een tafel met spullen erachter werkt perfect. Maak foto’s op f/2.8 (of het laagste getal dat je lens toestaat), f/5.6, f/8, f/11 en f/16. Het diafragma bepaalt hoeveel van je foto scherp is. Bij f/2.8 is alleen je onderwerp scherp en smelt de achtergrond weg in een crèmige onscherpte. Fotografen noemen dat bokeh. Bij f/16 is vrijwel alles scherp van voor tot achter. Dat heet grote scherptediepte. Let op iets cruciaals: het getal werkt tegenintuïtief. Een klein getal (f/2.8) betekent een grote opening van je diafragma (je kunt dat letterlijk zien als je in de lens kijkt. Mooi he? Een groot getal (f/16) betekent een kleine opening. Ik vergelijk het altijd met je pupillen. In het donker worden ze groot (laag f-getal). In fel licht worden ze klein (hoog f-getal). Deze opdracht laat je voelen hoe scherptediepte werkt. Je ontdekt ook de sweet spot van je lens. De meeste lenzen zijn het scherpst rond f/8. Beoordeel deze foto’s op groot scherm. Wanneer zou jij een kleine en grote scherptediepte inzetten?

Opdracht 3: ISO-experiment in het schemerdonker

Wacht tot het schemert. Zet je camera in handmatige modus (M) waarin je alle onderdelen zelf instelt. Kies een vaste sluitertijd van 1/60s en een diafragma van f/5.6. Maak nu foto’s bij ISO 100, ISO 400, ISO 1600, ISO 6400 en de hoogste ISO die je camera aankan. Zoom daarna in op je computerscherm tot 100%. ISO regelt de versterking van het signaal dat binnenkomt in je camera. En daarmee ook de zichtbaarheid van ruis. Je zult zien dat bij lage ISO-waarden het beeld schoon en gedetailleerd is. Bij hoge ISO-waarden verschijnt er ruis: kleine gekleurde spikkels die detail wegvreten. Elke camera heeft een ander omslagpunt. Bij sommige camera’s is ISO 3200 nog prima bruikbaar. Bij andere wordt het al bij ISO 1600 rommelig. Dit is essentiële kennis. Je moet weten tot welke ISO jouw specifieke camera acceptabele beelden levert. Schrijf dat getal op een plakbriefje en plak het op je cameratas. Serieus. Die grens bepaalt in welke situaties je kunt fotograferen zonder flitser of statief. Moderne sensoren zijn overigens indrukwekkend goed geworden in het onderdrukken van ruis. Maar er zit altijd een limiet aan. Ken die limiet.

Leren fotograferen door resultaten te analyseren en vergelijken

Opdracht 4: witbalans op kleur betrappen

Dit is een opdracht die veel mensen overslaan. Ten onrechte. We aan kijken wat witbalans doet met kleur. Automatisch witbalans (AWB) in je camera detecteert het soort omgevingslicht en stelt de camera zo af zodat je foto lijkt genomen te zijn in neutraal licht. Hoe dat werk gaan we onderzoeken. Zoek een ruimte met kunstlicht. TL-buizen, gloeilampen, LED-panelen. Zet je camera op handmatige witbalans en loop alle presets af: daglicht, bewolkt, schaduw, kaarslicht, TL-licht. Maak van hetzelfde onderwerp een foto met elke preset. Het verschil is spectaculair. Bij de verkeerde witbalans kleurt je foto oranje, blauw of groenig. Bij de juiste witbalans zien de kleuren er natuurlijk uit. Witbalans vertelt je camera welk licht als “neutraal wit” bedoeld is. Ons brein corrigeert kleurverschillen automatisch. Een wit vel papier ziet er voor ons wit uit, ongeacht de lichtbron. Je camerasensor is niet zo slim. Die moet je vertellen wat wit is. Dus als je zoals in deze opdracht bewust een verkeerde lichtsituatie kiest, corrigeert je camera onjuist en zijn de kleuren te warm of te koud. Fotografeer je in RAW? Dan kun je de witbalans achteraf aanpassen zonder kwaliteitsverlies. Fotografeer je in JPEG? Dan moet de witbalans bij het maken van de foto correct zijn. Deze opdracht laat je ook zien hoe krachtig een “verkeerde” witbalans kan zijn als creatief middel. Een bewolkt-preset bij zonsondergang maakt de warme kleuren nog warmer. Dat is geen fout. Dat is een keuze.

Opdracht 5: autofocus onder druk

De autofocus van je nieuwe camera is waarschijnlijk razendsnel. Tenminste, als je hem goed instelt. Zoek een bewegend onderwerp. Een kind op een fiets, een kat die rondloopt, een bal die door de lucht vliegt. Schakel nu tussen enkelvoudig autofocus (AF-S of One Shot) en continu autofocus (AF-C of AI Servo). Bij enkelvoudig autofocus stelt de camera eenmalig scherp en vergrendelt het focuspunt. Perfect voor stilstaande onderwerpen. Bij continu autofocus blijft de camera het onderwerp volgen zolang je de ontspanknop half ingedrukt houdt. Onmisbaar voor alles wat beweegt. Test ook de verschillende focusgebieden. Een enkel focuspunt geeft je maximale controle over waar de scherpte valt. Een breed focusgebied laat de camera kiezen. Moderne camera’s met oog-detectie en onderwerp-tracking zijn behoorlijk slim geworden. Toch wil je weten hoe je handmatig een focuspunt kiest. Er komen situaties waarin de slimme autofocus het verkeerde onderwerp pakt. Een hek voor je onderwerp, een tak voor een vogel. Dan moet je kunnen ingrijpen. Oefen dit tot het switchen tussen focusmodi een automatisme is.

Opdracht 6: belichtingscompensatie als geheim wapen

Zet je camera terug in diafragma-priority (A/Av). Zoek een scène met veel wit: sneeuw, een wit gebouw, een wit tafelkleed. Maak een foto zonder aanpassingen. Grote kans dat het wit er grijs uitziet. Dat komt omdat je belichtingsmeter alles naar gemiddeld grijs probeert te trekken. Draai nu aan de belichtingscompensatie: +1 stop, +1.5 stop, +2 stop. Je zult zien dat het wit eindelijk wit wordt. Doe hetzelfde experiment met een donker onderwerp. Een zwarte kat, een donker pak. Zonder compensatie wordt het zwart grijs. Compenseer nu naar -1, -1.5, -2 stop. Het zwart wordt weer diep en rijk. Belichtingscompensatie is misschien wel de meest onderschatte knop op je camera. Het zegt tegen je camera: je hebt het fout, ik help je. Het is een simpele draai aan een wiel die het verschil maakt tussen een platte foto en een foto met diepte. Ik gebruik belichtingscompensatie bij vrijwel elke foto die ik maak. Het is sneller dan volledig handmatig belichten en net zo precies. Zodra je begrijpt hoe je belichtingsmeter denkt, kun je hem corrigeren. Dat is een enorm krachtig inzicht.

De opdrachten die je camera en jou écht verbinden

De eerste zes opdrachten gaan over de grote drie (sluitertijd, diafragma, ISO) en hun directe helpers. De volgende vier opdrachten gaan dieper. Ze raken aan functies die je misschien niet dagelijks gebruikt. Toch maken ze het verschil op de momenten die ertoe doen. Ansel Adams zei ooit: “The single most important component of a camera is the twelve inches behind it.” Daar had hij gelijk in. Deze opdrachten trainen precies die twaalf inch.

Rekenen met belichting

Schuif met de sliders om het effect van de elementen van de belichtingsdriehoek op de foto te zien. De rekentool toont de hoeveelheid licht, de scherpte en de mate van ruis in je foto. Gebruik de tool om meer gevoel te ontwikkelen over de invloed van diafragma, ISO en sluitertijd op je foto.

EV ±0.0
ISOISO 60
Sluitertijd1/250s
Diafragmaf/8

Bewegingsonscherpte

Geen

bevroren

Scherptediepte

Diep

alles scherp

Ruis

Geen

ISO 60

Opdracht 7: de meetmethode-test

Je camera heeft minstens drie meetmethoden voor belichting: matrixmeting (evaluatief), centrumgewogen en spotmeting. Zoek een scène met groot contrast. Een persoon voor een raam werkt uitstekend. Maak drie foto’s met dezelfde instellingen maar wissel alleen de meetmethode. Bij matrixmeting probeert de camera de hele scène te analyseren en een gemiddelde belichting te kiezen. Bij centrumgewogen legt de camera nadruk op het midden van het beeld. Bij spotmeting meet de camera alleen een piepklein puntje, meestal waar je focuspunt staat. Het verschil kan dramatisch zijn. Bij een tegenlichtportret voor een raam maakt matrixmeting een silhouet van je model. Spotmeting op het gezicht geeft een correct belicht portret met een uitgeblazen achtergrond. Geen van beide is fout. Het zijn verschillende keuzes. Spotmeting is je beste vriend bij lastige lichtsituaties. Leer hem gebruiken en je hebt een enorm voordeel in moeilijke omstandigheden. De meeste fotografen laten hun camera op matrixmeting staan en compenseren achteraf. Dat werkt. Spotmeting gebruiken is preciezer en sneller.

Opdracht 8: RAW versus JPEG met eigen ogen zien

Stel je camera in om tegelijkertijd RAW en JPEG op te slaan. De meeste camera’s kunnen dat. Maak tien foto’s in verschillende lichtsituaties. Bewust een paar onderbelichte en overbelichte foto’s ertussen. Open daarna de RAW-bestanden in Lightroom, Capture One of het gratis programma RawTherapee. Probeer de belichting te corrigeren, kleuren aan te passen en schaduwen open te trekken. Doe hetzelfde met de JPEG’s. Een RAW-bestand bevat enorm veel meer informatie dan een JPEG. Waar een overbelichte JPEG onherstelbaar wit is, kun je uit een RAW-bestand nog verrassend veel detail terugwinnen. RAW-bestanden zijn groter en vereisen nabewerking. JPEG’s zijn kleiner en direct klaar. De keuze hangt af van je werkwijze. Fotografeer je voor social media en wil je snel resultaat? JPEG kan prima zijn. Wil je maximale controle en kwaliteit? Schiet RAW. Persoonlijk fotografeer ik altijd in RAW. De flexibiliteit in nabewerking is het extra werk meer dan waard. Deze opdracht laat je dat verschil met je eigen foto’s ervaren. Dat overtuigt meer dan welk artikel dan ook.

Opdracht 9: zelfontspanner en spiegelvoorvergrendeling voor de scherpste foto ooit

Zet je camera op een statief of een stabiel oppervlak. Fotografeer een onderwerp met veel fijn detail. Een bakstenen muur, een pagina tekst of een gedetailleerd schilderij. Maak eerst een foto door gewoon op de ontspanknop te drukken. Maak daarna dezelfde foto met de zelfontspanner op twee seconden. Als je een spiegelreflex hebt, schakel dan ook de spiegelvoorvergrendeling in. Vergelijk de twee foto’s op 100% op je scherm. Bij de eerste foto zie je waarschijnlijk een minieme onscherpte. Dat komt door de trilling van je vinger op de ontspanknop. Bij langere sluitertijden wordt dit effect sterker. De zelfontspanner elimineert die trilling. Bij een spiegelreflex veroorzaakt ook het opklappen van de spiegel een trilling. Spiegelvoorvergrendeling lost dat op door de spiegel apart op te klappen voordat de foto wordt gemaakt. Heb je een systeemcamera zonder spiegel? Dan speelt dat laatste niet. Toch is de zelfontspanner-truc universeel waardevol. Een draadloze afstandsbediening of de camera-app op je telefoon werkt net zo goed. Deze opdracht leert je hoe gevoelig je camera is voor trillingen. En hoe makkelijk je die kunt voorkomen.

Opdracht 10: customknopen programmeren en je camera persoonlijk maken

Dit is de opdracht waar de meeste mensen niet aan toekomen. En dat is jammer, want hier zit enorme tijdwinst. Maar… doe dit als je je camera al een beetje kent. Anders gaat je camera uit de pas lopen met de handleiding.

Open het menu van je camera en zoek naar “custom buttons” of “functieknoppen toewijzen”. Moderne Fujifilm-camera’s zijn op vele punten aan te passen. Wijs je meest gebruikte functies toe aan knoppen die je snel kunt bereiken. Op mijn camera zit de standaard ISO-knop op een draaiwiel aan de voorkant, op de plek waar ik mijn camera vasthoud. Gevolg? Per ongeluk stoten maakt mijn foto enorm licht of donker 🙁 Meerdere malen 🙁 ISO heb ik snel verplaats naar een drukknopje boven op de camera. Witbalans op de achterste. Focusgebied wisselen op het joystickknopje. Elke camera heeft andere mogelijkheden. Lees het hoofdstuk over customisatie in je handleiding. Ja, die handleiding. Die dikke PDF die je hebt genegeerd. Daar staan schatten in. Sony-camera’s hebben bijvoorbeeld een uitgebreid systeem van custom keys. Canon en Nikon bieden vergelijkbare opties. Fujifilm laat je zelfs complete instellingensets opslaan als presets op het keuzewiel en hele menu’s opnieuw indelen. De tijd die je investeert in het personaliseren van je knoppen verdien je dubbel en dwars terug in het veld. Je hoeft niet meer door menu’s te scrollen terwijl je onderwerp wegloopt. Je drukt op een knop en je instelling is gewijzigd. Klaar. Dat is het verschil tussen een fotograaf die worstelt met zijn apparaat en een fotograaf die ermee danst. Ga vanavond nog op de bank zitten met je camera en je handleiding. Programmeer die knoppen. Je toekomstige zelf zal je dankbaar zijn.