Vorige zomer fotografeerde ik een portret op f/1.4 en schrok me rot: alleen de wimpers waren scherp, de ogen al niet meer. Die ene centimeter verschil maakte alles wazig. Sindsdien bereken (of schat) ik mijn scherptediepte vooraf. Want raden werkt niet – rekenen wel.
Wanneer een neus scherp is maar de ogen niet
Je maakt een portret van dichtbij met een 85mm lens op f/1.8. De neus is rakelingsscherp, maar de ogen verdwijnen in zachte onscherpte. Frustrerend, want scherpe ogen zijn het belangrijkste in een portret. Dit gebeurt omdat je scherptediepte (de afstand waarin objecten scherp afgebeeld worden) slechts enkele centimeters bedraagt. Het verschil tussen neus en ogen is genoeg om buiten die zone te vallen. Ik heb dit zelf meegemaakt tijdens een portretshoot met een 50mm f/1.2 lens. De focus lag op het puntje van de neus, en alles wat vijf centimeter verder lag was al onscherp. Precies daarom moet je scherptediepte berekenen kunnen: niet achteraf verbaasd zijn, maar vooraf weten wat je krijgt.
Een praktisch schema voor scherptediepte
Theorie is mooi, maar cijfers maken het tastbaar. Ik heb een schema samengesteld met realistische lensinstellingen en de bijbehorende scherptediepte. Dit geeft je direct inzicht in wat je kunt verwachten. Alle berekeningen gaan uit van een crop-frame camera.
Brandpuntsafstand: 50mm | Focusafstand: 2 meter
- f/1.4: scherptediepte van 4 cm
- f/2.8: scherptediepte van 8 cm
- f/5.6: scherptediepte van 16 cm
- f/11: scherptediepte van 32 cm
Brandpuntsafstand: 85mm | Focusafstand: 2 meter
- f/1.8: scherptediepte van 2,5 cm
- f/2.8: scherptediepte van 4 cm
- f/5.6: scherptediepte van 8 cm
- f/11: scherptediepte van 16 cm
Brandpuntsafstand: 35mm | Focusafstand: 1 meter
- f/1.4: scherptediepte van 3 cm
- f/2.8: scherptediepte van 5 cm
- f/5.6: scherptediepte van 11 cm
- f/11: scherptediepte van 21 cm
Hoewel de cijfers hierboven technisch correct zijn voor een “vaste afstand”, is de ervaring in de praktijk vaak andersom. Omdat een 50mm op een crop-camera “zoomt” als een 75mm, neem je vaak drie stappen naar achteren om hetzelfde beeld te krijgen. Door die grotere afstand wordt je scherptediepte uiteindelijk juist groter dan bij een full-frame camera met dezelfde compositie.
Let op: Gebruik je een Canon camera? De crop-factor is daar 1.6x, waardoor de scherptediepte nog eens fracties (ongeveer 5-10%) kleiner uitvalt dan in de bovenstaande lijst.
Zal ik voor je uitrekenen wat de scherptediepte wordt als je de compositie (de uitsnede) gelijk houdt aan die van een full-frame camera?
Waarom deze cijfers belangrijk zijn
Kijk een naar die eerste rij: 50mm op f/1.4 vanaf twee meter geeft je slechts vier centimeter scherptediepte. Een gezicht is van voor naar achter gemiddeld twintig centimeter diep. Daarom krijg je dat effect waarbij alleen de neus scherp is. De ogen liggen vaak verder naar achteren en vallen buiten die vier-centimeter-zone. Bij f/2.8 verdubbelt je scherptediepte al naar acht centimeter – genoeg voor neus én ogen bij een frontaal portret. Maar draai je model een kwartslag, dan valt het achterste oog soms net buiten de scherptezone.
Scherptediepte berekenen vraagt om een formule. Die ziet er intimiderend uit, maar is logischer dan je denkt. De totale scherptediepte wordt bepaald door drie variabelen: diafragma-opening, brandpuntsafstand en focusafstand. De wiskundige formule luidt:
De formule om scherptediepte te berekenen
DOF = (2 × N × C × s²) / (f² – N × C × s)
Wat betekenen deze termen
- DOF voor Depth of Field, een ander woord voor scherptediepte.
- N voor het f-getal of diafragma. Het diafragma is de opening in je lens, uitgedrukt in f-getallen zoals f/2.8 of f/11. Een kleiner getal betekent een grotere opening en minder scherptediepte.
- C voor de circle of confusion of verstrooiingscirkel. De verstrooiingscirkel is een technische waarde die aangeeft wanneer een punt nog scherp oogt op je sensor. Voor een full-frame camera bedraagt deze ongeveer 0,03 mm. Voor APS-C sensoren (de meeste camera’s) is dat 0,02 mm. Deze waarde bepaalt mee wanneer iets acceptabel scherp is voor het menselijk oog.
- s voor de focusafstand. De focusafstand is de afstand tussen camera en onderwerp in meters. Hoe dichter je bij je onderwerp staat, hoe dunner je scherptedieptezone wordt.
- f voor de brandpuntsafstand. De brandpuntsafstand is de lengte van je lens in millimeters – 35mm, 85mm, 200mm. Langere brandpuntsafstanden geven minder scherptediepte bij dezelfde andere instellingen.
De drie factoren diafragma, focusafstand en brandpuntsafstand werken samen en beïnvloeden elkaar. Verander je er één, dan verandert je scherptediepte direct.
Online calculators als praktische hulp
Je hoeft niet elke keer met pen en papier te rekenen. Er bestaan handige online tools die het werk voor je doen. PhotoPills heeft een uitstekende depth of field calculator waarin je je camera, lens en instellingen invoert. Direct zie je de scherptediepte in centimeters of meters. Ik gebruik PhotoPills op locatie via mijn smartphone. Voor ik een shoot begin, controleer ik snel welk diafragma ik nodig heb voor de gewenste scherptezone. Dit scheelt achteraf teleurstellingen en herschietingen. Inmiddels weet ik uit de praktijk ongeveer waar ik rekening mee moet worden.

Hyperfocale afstand voor maximale scherpte
Er bestaat een magische focusafstand waarbij je de maximale scherptediepte krijgt: de hyperfocale afstand. Focus je op dit punt, dan loopt je scherpte van de helft van die afstand tot oneindig. Bij een 35mm lens op f/8 ligt de hyperfocale afstand op ongeveer 3,5 meter. Focus je daarop, dan is alles scherp vanaf 1,75 meter tot de horizon. Landschapsfotografen gebruiken dit principe continu. In plaats van op de horizon te focussen, focussen ze op het hyperfocale punt. Zo krijgen ze zowel de voorgrond als de achtergrond scherp. De formule voor hyperfocale afstand is: H = (f² / (N × C)) + f. Voor een 24mm lens op f/11 met C = 0,03 mm geeft dit: H = (24² / (11 × 0,03)) + 24 = 1758 mm oftewel 1,76 meter.
Mijn ervaring met landschapsfotografie
Tijdens een shoot in de Ardennen wilde ik bloemen in de voorgrond en een kasteel op de achtergrond scherp krijgen. De bloemen lagen op 1,5 meter, het kasteel op 200 meter. Met mijn 24mm lens berekende ik de hyperfocale afstand op f/11: ongeveer 1,8 meter. Ik focuste op een steen die op die afstand lag. Resultaat: zowel bloemen als kasteel rakelingsscherp. Zonder die berekening had ik waarschijnlijk op het kasteel gefocust en waren de bloemen vaag geweest. Of andersom. De hyperfocale afstand gaf me beide elementen scherp in één opname.
Scherptediepte berekenen voor verschillende sensoren
De sensorgrootte van je camera beïnvloedt de scherptediepte. Een full-frame sensor geeft minder scherptediepte dan een APS-C sensor bij identieke instellingen. Dit komt door de cropfactor en de verstrooiingscirkel. Een APS-C sensor heeft een cropfactor van 1,5 (Nikon, Sony) of 1,6 (Canon). Om dezelfde beelduitsnede te krijgen, moet je verder van je onderwerp staan of een kortere brandpuntsafstand gebruiken. Beide factoren vergroten je scherptediepte. Daarom krijg je met een 50mm f/1.8 op APS-C meer scherptediepte dan diezelfde lens op full-frame. De verstrooiingscirkel voor APS-C is 0,02 mm in plaats van 0,03 mm, wat de berekeningen beïnvloedt. Concreet betekent dit: een 50mm f/2.8 op twee meter geeft op full-frame 12 cm scherptediepte, maar op APS-C ongeveer 18 cm.
Praktische tips voor scherpte waar je die wilt
Nu je weet hoe je scherptediepte berekent, kun je dit inzetten voor betere foto’s. Bij portretten wil je meestal beide ogen scherp. Bereken vooraf welk diafragma je nodig hebt. Focus altijd op het dichtstbijzijnde oog – dat moet absoluut scherp zijn. Bij groepsportretten heb je meer scherptediepte nodig. Mensen staan zelden precies op dezelfde lijn. Een verschil van dertig centimeter tussen voor- en achterste persoon vraagt om f/5.6 of f/8. Bij productfotografie wil je het hele product scherp. Meet de diepte van je product en bereken welk diafragma voldoende scherptezone geeft. Vergeet niet dat kleinere diafragma’s (hogere f-getallen) meer licht of langere sluitertijden vragen.
Ansel Adams, meester-landschapsfotograaf, zei ooit: “There is nothing worse than a sharp image of a fuzzy concept.” Maar ik voeg toe: er is ook niets frustrerender dan een vaag beeld van een scherp concept. Technische beheersing geeft je de vrijheid om je visie te realiseren. Scherptediepte berekenen is geen ingewikkelde wiskunde maar een praktische vaardigheid. Die zes centimeter bij f/1.4 op 85mm? Nu weet je precies wat dat betekent en hoe je ermee omgaat. Heb jij ook wel eens verrassing ervaren met onverwachte onscherpte? Deel je ervaring in de reacties.

Ik ben Jeroen. Ik maak foto’s, maar vooral omdat ik graag kijk. Echt kijk. Dat begon ruim twintig jaar geleden met een Nikon D50, gekocht rond de geboorte van mijn zoon. Sindsdien is fotografie voor mij verweven geraakt met aandacht, nieuwsgierigheid en het vastleggen van momenten die anders ongemerkt voorbijgaan.
Ik ben iemand die wil begrijpen wat hij doet. Daarom zit ik net zo graag in de techniek als in het beeld zelf. Tegenwoordig werk ik met een Fujifilm X-T50: compact, eigenwijs, en precies uitdagend genoeg om me scherp te houden. Ik word blij van uitzoeken waarom iets werkt — of waarom juist niet.
Naast fotograferen schrijf ik over fotografie. Niet om te laten zien wat ik weet, maar om anderen mee te nemen in dat ontdekproces. Ik hou ervan om ingewikkelde dingen simpel te maken, zonder ze plat te slaan. Of je nu net begint of al jaren fotografeert: er valt altijd iets nieuws te zien, te leren, te verbeteren. Dat enthousiasme delen, dát is wat me drijft.
