Waarom je lichtmeting niet blind moet vertrouwen en hoe je het zelf beter doet

Camera meetmethodes

Een aantal maanden geleden fotografeerde ik een zwarte kat op een sneeuwveld in Noorwegen. Iets ergers kun je een fotocamera niet vragen. Er kwam bijna rook uit de processor. Mijn camera mat het licht, berekende de belichting en het resultaat was verschrikkelijk: de sneeuw zag grijs en de kat was een zwart gat zonder detail. Waarom? Ik leg het uit.

Hoe camera’s licht meten en waarom dat misgaat

Elke camera meet licht door te berekenen hoeveel licht er op de sensor valt. Het probleem is dat camera’s dom zijn. Ze gaan ervan uit dat alles wat je fotografeert gemiddeld 18% van het licht reflecteert. Dit percentage komt voort uit onderzoek naar hoe het menselijk oog scènes waarneemt. Een gemiddelde scène met lucht, bomen, gebouwen en mensen reflecteert ongeveer 18% van het invallende licht. Dit wordt de middentoon genoemd, precies tussen zuiver wit en zuiver zwart.

Daarom bestaat er grijskaarten van 18%. Fotografen gebruiken deze om de belichting te ijken. Je houdt de kaart in hetzelfde licht als je onderwerp, meet daarop en stelt de camera handmatig in op die waarde. Vervolgens verwijder je de kaart en fotografeer je. De belichting klopt dan perfect, ongeacht of je onderwerp zwart, wit of gekleurd is. Dit werkt omdat je de camera vertelt wat de correcte middentoon is in plaats van de camera te laten raden.

Maar wat gebeurt er als je scène niet gemiddeld is? Stel je fotografeert een zwarte hond op een zwart kleed. De camera meet weinig licht en denkt: “Dit moet 18% grijs worden.” Je camera verhoogt de belichting en je zwarte hond wordt grijs. Hetzelfde gebeurt met mijn kat in de sneeuw. De camera zag veel wit, dacht dat dit grijs moest zijn en maakte alles donkerder. Dit is de fundamentele beperking van elke lichtmeter in elke camera.

Camera meetmethodes

Matrixmeting voor alledaagse situaties

Matrixmeting is de standaard meetmethode op moderne camera’s. Canon noemt dit evaluerende meting, Nikon noemt het matrixmeting en Sony gebruikt de term multi-segment meting. Het principe is hetzelfde: de camera verdeelt het beeld in zones, meet het licht in elke zone en combineert deze metingen met algoritmes. Moderne systemen gebruiken tussen de 1000 en 180.000 meetpunten, afhankelijk van het merk en model.

Nikon’s 3D Color Matrix Metering III analyseert bijvoorbeeld kleur, helderheid en afstand per zone. De camera vergelijkt dit patroon met een database van duizenden foto’s. Herkent de camera een lichte bovenkant en donkere onderkant? Dan gaat ze ervan uit dat je een landschap fotografeert met lucht en past de belichting daarop aan. Deze intelligentie werkt verrassend goed voor standaardsituaties: straatfotografie, landschappen met gelijkmatige belichting en portretten in diffuus licht.

Ik gebruik matrixmeting als mijn standaardinstelling. Voor 80% van mijn foto’s levert dit acceptabele resultaten. De camera compenseert automatisch voor heldere luchten en donkere voorgronden. Maar zodra de belichting kritiek wordt of de scène extreem contrast heeft, schakel ik over naar een andere meetmethode. Matrixmeting is betrouwbaar maar niet perfect, vooral niet bij tegenlicht of scènes met veel wit of zwart.

Centrumgerichte meting voor portretten

Centrumgerichte meting concentreert zich op het midden van het frame, meestal een cirkel die 8 tot 15% van het totale beeld beslaat. Maar soms kun je dit ook veranderen in vlakken of balken meetpunten. De camera meet het licht in deze zone zwaarder dan de rest van het beeld. De exacte verdeling verschilt per merk. Bij Nikon krijgt het centrum 75% van het gewicht, bij Canon ongeveer 60 tot 70%. De randen tellen mee maar hebben minder invloed op de uiteindelijke belichting.

Deze methode ontstond in de filmtijd toen fotografen hun onderwerp centraal componeerden, maten en vervolgens herkadreerden. Het werkt uitstekend voor portretten waar je wilt dat het gezicht correct belicht is, ongeacht de achtergrond. Stel je fotografeert iemand voor een fel verlicht raam. Matrixmeting zou het gezicht onderbelichten omdat de camera probeert het heldere raam te compenseren. Centrumgerichte meting negeert het raam grotendeels en belicht het gezicht correct.

Ik gebruik deze meetmethode zelden. Spotmeting geeft me meer controle en matrixmeting is handiger voor snelle situaties. Maar sommige fotografen zweren erbij, vooral voor documentaire fotografie en straatportretten. De methode is voorspelbaar en consistent. Je weet dat de camera het centrum prioriteit geeft. Voor fotografen die snel werken en geen tijd hebben voor spotmetingen kan centrumgerichte meting een goede middenweg zijn.

Spotmeting voor absolute controle

Spotmeting meet het licht in een klein gebied, meestal 1 tot 5% van het frame. Dit gebied correspondeert met het actieve scherpstelpunt of het centrum van de zoeker. Sommige camera’s laten je de spotmeter koppelen aan het scherpstelpunt, zodat je meet waar je scherp stelt. Deze meetmethode geeft je absolute controle over de belichting omdat je precies bepaalt welk deel van de scène de camera moet meten.

Maar let op! Hier wordt het interessant. Spotmeting meet nog steeds naar 18% grijs. Als je spotmeet op iets wits, maakt de camera het grijs. Meet je op iets zwarts, dan maakt de camera het ook grijs. Daarom moet je belichtingscompensatie gebruiken. De vuistregel: meet op een middentoon in je scène, iets dat grijs zou moeten zijn. Of meet op een licht of donker gebied en compenseer handmatig. Voor een witte jurk: meet en voeg +2 stops toe. Voor een zwart pak: meet en trek 2 stops af.

Mijn werkwijze bij die kat in de sneeuw: ik schakelde over naar spotmeting, mat op de vacht van de kat en voegde -1,5 stop belichtingscompensatie toe. Waarom min in plaats van plus? Omdat ik wilde dat de kat echt zwart was, niet grijs. De camera wilde de zwarte vacht naar grijs tillen, dus ik compenseerde in de tegenovergestelde richting. Het resultaat: een perfect belichte zwarte kat met detaillering in de vacht en helderwitte sneeuw met textuur.

Spotmeting vereist denken en ervaring. Je moet begrijpen wat je meet en hoe de camera zal reageren. Maar eenmaal onder de knie geeft het je volledige controle. Ik gebruik spotmeting voor landschappen met extreme contrasten, voor backlit portretten en voor elke situatie waar ik precies weet welk deel van de scène correct belicht moet zijn. Het is langzamer dan matrixmeting maar veel betrouwbaarder bij moeilijk licht.

Partiële meting als compromis

Partiële meting is een Canon-specialiteit, hoewel andere merken vergelijkbare modi hebben onder andere namen. Het meet een groter gebied dan spotmeting, ongeveer 6 tot 10% van het frame, maar kleiner dan centrumgerichte meting. Het gebied is altijd gecentreerd in de zoeker. Deze meetmethode is een compromis tussen de precisie van spotmeting en de flexibiliteit van centrumgerichte meting.

Wanneer gebruik je dit? Stel je fotografeert een portret met een drukke maar niet extreem heldere achtergrond. Spotmeting zou te klein zijn en mogelijk een verkeerd deel van het gezicht meten, zoals een highlight op de neus. Centrumgerichte meting zou te veel van de achtergrond meenemen. Partiële meting geeft je een middenweg: groot genoeg om het hele gezicht te meten, klein genoeg om de achtergrond te negeren.

Eerlijk gezegd gebruik ik partiële meting bijna nooit. Als ik precisie nodig heb, kies ik voor spotmeting. Voor algemeen werk gebruik ik matrixmeting. Maar ik ken fotografen die partiële meting prefereren voor portretwerk, vooral bij wisselende achtergronden. Het is sneller dan spotmeting omdat het gebied groter is en dus meer vergevingsgezind. Voor fotografen die veel portretten maken in natuurlijk licht kan dit een nuttige optie zijn.

Highlight-gewogen meting voor hoge contrasten

Nikon introduceerde highlight-gewogen meting in hun professionele camera’s. Deze meetmethode analyseert de hele scène maar geeft prioriteit aan de lichtste delen. Het doel is om overbelichting in highlights te voorkomen, omdat uitgebloeide highlights niet te herstellen zijn in post-processing. Onderbelichte schaduwen kun je vaak nog optrekken, maar een wit vlak zonder informatie blijft wit.

De camera meet de scène, identificeert de helderste gebieden en past de belichting aan om deze net binnen het dynamisch bereik te houden. Dit betekent dat de rest van de foto mogelijk onderbelicht wordt. Dat is opzettelijk. De filosofie is: bescherm de highlights, herstel de schaduwen later. Voor fotografen die in RAW schieten en hun foto’s bewerken is dit een krachtige aanpak.

Ik gebruik deze meetmethode bij concertfotografie en in situaties met spotlights of felle lichtbronnen in beeld. Een spotlight op een zanger kan 5 tot 6 stops helderder zijn dan de rest van de scène. Matrixmeting zou een compromis zoeken en beide gebieden verkeerd belichten. Highlight-gewogen meting beschermt het gezicht van de zanger en laat de achtergrond in duisternis verdwijnen. Precies wat ik wil.

Beperkingen van highlight-prioriteit

Deze meetmethode heeft nadelen. Als je in JPEG fotografeert, krijg je donkere foto’s die er onderbelicht uitzien. De schaduwen bevatten ruis die zichtbaar wordt als je ze optrekkt. Ook moet je accepteren dat donkere delen van je foto echt donker worden. Voor fotografen die direct uit de camera willen delen zonder bewerking is deze methode minder geschikt. Het is een tool voor specifieke situaties, niet voor dagelijks gebruik.

Hoeveel meetpunten heb je echt nodig

Camerafabrikanten adverteren met meetpunten: 1000, 10.000, zelfs 180.000 punten. Meer is beter, toch? Niet noodzakelijk. Het aantal meetpunten bepaalt hoe fijn de camera een scène kan analyseren, maar de algoritmes die deze data verwerken zijn belangrijker. Een camera met 1000 punten en slimme software kan betere resultaten geven dan een camera met 10.000 punten en domme algoritmes.

Bovendien maakt het aantal punten alleen verschil bij matrixmeting. Bij spotmeting meet je één punt. Bij centrumgerichte meting maakt de verdeling meer uit dan het aantal zones. Het is marketingtaal die indruk moet maken maar weinig praktische waarde heeft. Volgens DXOMark, een onafhankelijk testlaboratorium voor camera’s, is de correlatie tussen aantal meetpunten en belichtingsnauwkeurigheid verwaarloosbaar.

Wat wel uitmaakt is hoe goed de camera omgaat met moeilijke situaties. Test dit door een persoon voor een fel verlicht raam te fotograferen met verschillende meetmethodes. Of fotografeer een zwart object op een witte achtergrond. De camera die consistent het onderwerp correct belicht, ongeacht het aantal meetpunten, is de betere camera. Mijn Nikon D850 heeft 180.000 meetpunten, mijn oude D700 had er 1000. In de praktijk merk ik nauwelijks verschil bij matrixmeting.

Welke meetmethode is de beste

Er is geen beste meetmethode. Elk systeem heeft zijn plaats. Matrixmeting voor algemeen werk en situaties waar je snel moet reageren. Spotmeting voor volledige controle en moeilijke belichtingssituaties. Centrumgerichte meting als je een voorspelbaar compromis wilt. Highlight-gewogen meting voor extreme contrasten waar je highlights moet beschermen.

Mijn advies: leer spotmeting grondig te gebruiken. Dit dwingt je na te denken over belichting en te begrijpen hoe je camera licht interpreteert. Gebruik een grijskaart om te oefenen. Meet op de kaart, fotografeer zonder compensatie en controleer het histogram. Het moet precies in het midden pieken. Meet vervolgens op witte en zwarte objecten en zie hoe de camera deze naar grijs trekt. Experimenteer met belichtingscompensatie tot je intuïtief weet hoeveel stops je moet toevoegen of aftrekken.

Ansel Adams, meester van de zonensysteem, zei ooit: “You don’t take a photograph, you make it.” Dat geldt ook voor belichting. Je accepteert niet wat de camera besluit, je neemt controle. Meetmethodes zijn tools die je helpen die controle uit te oefenen. Kies de juiste tool voor de situatie en je belichtingsproblemen verdwijnen.

Welke meetmethode gebruik jij het meest en waarom? Heb je situaties waarin je camera’s lichtmeting compleet faalt? Deel je ervaringen in de reacties hieronder.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *