Fotograferen bij weinig licht zonder flitser: zo maak je scherpe foto’s in het donker

Drie jaar geleden stond ik in een schemerige jazz club in Antwerpen. De saxofonist speelde een solo die je door merg en been ging. Mijn camera lag klaar, maar elke foto die ik maakte was wazig of vol ruis. Die avond besefte ik dat fotograferen bij weinig licht een vaardigheid is die je moet beheersen, niet een technisch obstakel dat je moet accepteren.

De uitdaging van low light fotografie

Fotograferen bij weinig licht stelt je voor een fundamenteel probleem: je camera heeft licht nodig om een beeld vast te leggen, maar er is simpelweg te weinig beschikbaar. Daarnaast wil je geen flitser gebruiken omdat die de sfeer vernietigt of omdat het niet toegestaan is. Dit probleem komt voortdurend voor bij concerten, in musea, tijdens diners of bij avondfotografie in de stad. De oplossing ligt in het begrijpen van de belichtingsdriehoek en het maken van strategische keuzes.

De belichtingsdriehoek bestaat uit drie elementen die samen bepalen hoeveel licht je sensor opvangt: sluitertijd, diafragma en ISO. Bij low light fotografie moet je deze drie in balans brengen zonder concessies te doen aan scherpte. Elk element heeft consequenties. Een langere sluitertijd geeft bewegingsonscherpte. Een groter diafragma verkleint je scherptediepte. Een hogere ISO verhoogt de ruis. De kunst is kiezen welke compromis je accepteert.

Sluitertijd en de reciprokenregel

De reciprokenregel is je beste vriend bij low light fotografie. Deze vuistregel stelt dat je sluitertijd minimaal 1 gedeeld door je brandpuntsafstand moet zijn om scherpte te garanderen bij handmatig fotograferen. Gebruik je een 50mm lens? Dan heb je minimaal 1/50 seconde nodig. Bij een 200mm lens is dat 1/200 seconde. Moderne camera’s met beeldstabilisatie geven je twee tot vier stops extra ruimte, wat betekent dat je bij een 50mm lens tot 1/12 seconde kunt gaan. Theoretisch.

In die jazz club gebruikte ik een 85mm lens. Volgens de reciprokenregel had ik 1/85 seconde nodig, maar mijn beeldstabilisatie gaf me ywee stops extra. Dat betekent dat ik kon fotograferen op 1/20 seconde. De berekening is simpel: elke stop verdubbelt of halveert de sluitertijd. Van 1/85 naar 1/40 is één stop, naar 1/20 is twee stops. Die extra tijd maakte het verschil tussen een zwarte foto en een bruikbare opname. Maar een lange sluitertijd zorgt voor bewegingsonscherpte!

1.jpg

Diafragma volledig openzetten

Je diafragma bepaalt hoeveel licht er door je lens valt. Bij weinig licht wil je dit zo wijd mogelijk open. Een lens met f/1.8 of f/1.4 laat aanzienlijk meer licht binnen dan een standaard f/3.5 of f/5.6 lens. Het verschil tussen f/5.6 en f/1.4 is vier stops, wat betekent dat je zestien keer meer licht binnenkrijgt. Dat is geen marginale verbetering, dat is het verschil tussen wel en niet kunnen fotograferen.

De consequentie is een kleinere scherptediepte. Bij f/1.4 heb je misschien slechts enkele centimeters scherpte. Dat vraagt precisie bij het focussen. Ik schakel altijd over naar een enkel focuspunt en richt dat op de ogen van mijn onderwerp. Software in je camera kan je hierbij helpen. Bij de saxofonist richtte ik op zijn gezicht terwijl zijn handen licht onscherp werden. Dat creëerde juist een mooie focus op zijn expressie.

ISO strategisch verhogen

ISO is je laatste redmiddel, maar een krachtig middel. Moderne camera’s presteren goed tot ISO 3200, en sommige tot ISO 6400 of hoger. Ruis is vervelend, maar een scherpe foto met ruis is altijd beter dan een wazige foto zonder ruis. Bovendien kun je ruis in postproductie reduceren met software.

Ik fotografeer liever op ISO 3200 met een scherpe foto dan op ISO 400 met bewegingsonscherpte. De saxofonist bewoog snel tijdens zijn solo. Met mijn 1/20 seconde sluitertijd zag ik een aardige beweging. Ik verhoogde mijn ISO naar 3200, wat me toestond de sluitertijd te verkorten naar 1/80 seconde. Het resultaat was scherp. Zoals fotograaf Michael Freeman schrijft: “Ruis is een technisch probleem dat je kunt oplossen, maar gemiste momenten komen nooit terug.”

RAW fotograferen voor maximale flexibiliteit

Bij low light fotografie is RAW essentieel. JPEG-bestanden comprimeren je beelddata en gooien informatie weg. RAW-bestanden bewaren alles wat je sensor vastlegt. Dat geeft je in postproductie enorme vrijheid om schaduwen op te lichten, highlights te herstellen en witbalans aan te passen. Bij weinig licht maak je vaak belichtingsfouten van een halve of hele stop. Met RAW kun je die corrigeren zonder kwaliteitsverlies.

In mijn software trok ik de schaduwen van mijn jazzfoto’s twee stops omhoog en verlaagde de highlights met één stop. Het dynamisch bereik van mijn RAW-bestand gaf me die ruimte. Had ik in JPEG gefotografeerd, dan waren die aanpassingen onmogelijk geweest zonder zichtbare artefacten. RAW-fotografie bij weinig licht maakt het verschil maakt tussen redbare en onbruikbare opnames.

Lichtbronnen slim gebruiken

Ook bij weinig licht zijn er altijd lichtbronnen. Straatlantaarns, kaarslicht, neonverlichting, schijnwerpers op een podium. Leer deze bronnen te herkennen en te gebruiken. Positioneer jezelf zo dat het beschikbare licht je onderwerp raakt. Bij de saxofonist stond een enkele spotlight op het podium. Ik verplaatste mezelf totdat zijn gezicht precies in die lichtbundel stond. Dat gaf me twee stops extra licht zonder iets aan mijn camera-instellingen te veranderen.

Let ook op de kleurtemperatuur van je lichtbronnen. Kunstlicht heeft een warme, oranje gloed. TL-verlichting is koel en groen. Straatverlichting kan geel of blauw zijn. Stel je witbalans handmatig in of fotografeer in RAW om dit later te corrigeren. Ik laat mijn witbalans meestal op automatisch staan en corrigeer in postproductie, omdat kunstlicht vaak een mooie warme sfeer geeft die je wilt behouden.

Stabiliteit vinden zonder statief

Een statief is ideaal maar lang niet altijd praktisch of toegestaan. Leer je lichaam te stabiliseren. Druk je ellebogen tegen je lichaam, adem uit voor je de sluiter indrukt, leun tegen een muur of pilaar. Elke extra stabiliteit geeft je een fractie van een stop meer ruimte. In de jazzclub leunde ik tegen de bar en gebruikte die als steunpunt. Dat gaf me net genoeg stabiliteit om op 1/10 seconde te fotograferen zonder bewegingsonscherpte.

Sommige fotografen gebruiken een monopod als compromis tussen mobiliteit en stabiliteit. Die geeft je extra balans en is veel wendbaarder dan een statief. Ik heb er zelf geen ervaring mee bij concerten, maar collega’s zweren erbij voor sportfotografie in slecht verlichte hallen.

Oefenen maakt het verschil

Low light fotografie vraagt om experimenteren. Elke situatie is anders en vraagt om andere instellingen. Fotografeer veel, bekijk je resultaten direct op je scherm, en pas aan. Na die avond in de jazzclub ben ik bewust gaan oefenen in donkere situaties. Ik fotografeerde in mijn woonkamer bij kaarslicht, op straat bij nacht, in donkere cafés. Elke sessie leerde me beter inschatten welke instellingen ik nodig had.

Nu, drie jaar later, stel ik mijn camera binnen seconden in voor elke low light situatie. Die vaardigheid komt niet uit een handleiding maar uit ervaring. Begin vanavond. Zet je flitser uit, zoek een donkere ruimte, en experimenteer. Deel je resultaten hieronder in de reacties. Welke instellingen werkten voor jou? Welke uitdagingen kwam je tegen? Laten we van elkaar leren.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *