Vorig jaar stond ik op een bergweide in Zwitserland met drie camera’s om mijn nek. Een 24mm, een 50mm en een 135mm. Mijn collega keek me aan alsof ik gek was geworden. “Waarom kies je niet gewoon één zoom?” vroeg hij. Mijn antwoord was simpel: omdat elke brandpuntafstand een ander verhaal vertelt. En dat verhaal begint met begrijpen wat je lens eigenlijk doet met je beeld.
Wat is de brandpuntafstand?
Brandpuntafstand is de afstand in millimeters tussen het optische middelpunt van je lens en de sensor wanneer je op oneindig scherpstelt. Dat klinkt technisch, maar het praktische effect is eenvoudig: het bepaalt hoeveel van je onderwerp je vastlegt en hoe de verhoudingen in je beeld eruitzien. Een 24mm lens toont een breed gezichtsveld van ongeveer 84 graden op een fullframe camera. Een 200mm lens daarentegen toont slechts 12 graden. Dat verschil is enorm en beïnvloedt niet alleen wat je ziet, maar ook hoe je kijker het beeld ervaart.
Hier wordt het interessant: brandpuntafstand verandert ook de perspectiefcompressie. Dat is geen optische illusie, maar een wiskundig effect. Bij een groothoeklens van 24mm lijken objecten op verschillende afstanden ver uit elkaar te staan. Bij een telelens van 200mm lijken ze juist dicht op elkaar gepakt. National Geographic beschrijft dit effect als een van de krachtigste creatieve gereedschappen in fotografie.
De groothoek: ruimte creëren of vervormen
Lenzen tussen 14mm en 35mm noemen we groothoek. Ik gebruik ze vooral voor landschappen en architectuur, maar ook voor documentaire portretten waarbij de omgeving belangrijk is. Het gevaar zit hem in de vervorming aan de randen. Gezichten worden breder, gebouwen lijken achterover te vallen. Daarom plaats ik belangrijke elementen altijd in het centrum van mijn frame wanneer ik met een 24mm werk.

Een concreet voorbeeld: fotografeer iemand van een meter afstand met een 24mm lens en hun neus wordt onevenredig groot. Ga drie meter achteruit en het gezicht wordt natuurlijker, maar je vangt ook meer omgeving. Dat is precies wat ik wil bij een portret in context. De berekening is simpel: hoe korter de brandpuntafstand, hoe dichter je moet staan voor hetzelfde kader, en hoe sterker de vervormingen worden.
Wanneer groothoek echt werkt
Groothoek is perfect wanneer je ruimte wilt benadrukken. Denk aan een klein interieur dat je groter wilt laten lijken, of een landschap waar je dramatische voorgrond en achtergrond combineert. Ik gebruik mijn 24mm ook voor straatfotografie omdat het me dwingt dichtbij te komen. Dat creëert betrokkenheid. Zoals fotograaf Robert Capa zei: “If your pictures aren’t good enough, you’re not close enough.”
De normaalstand: zien zoals je oog ziet
Lenzen tussen 40mm en 60mm geven een perspectief dat het dichtst bij menselijke waarneming komt. Mijn 50mm is mijn meest gebruikte lens. Waarom? Omdat het geen statement maakt. Het toont gewoon wat er is, zonder dramatiek of vervorming. Dat klinkt misschien saai, maar juist die neutraliteit geeft je controle.
Met een 50mm op fullframe krijg je een gezichtsveld van ongeveer 47 graden. Dat komt overeen met je gefocuste zicht, niet je perifere visie. Voor portretten is dit ideaal. Je staat op een comfortabele afstand van ongeveer twee meter voor een borstportret. De verhoudingen blijven natuurlijk. De achtergrond raakt niet te veel gecomprimeerd, maar ook niet te uitgestrekt.
De telelens: isoleren en comprimeren
Vanaf 85mm beginnen de telelenzen. Dit is mijn favoriete bereik voor klassieke portretten. Een 85mm of 135mm isoleert je onderwerp prachtig van de achtergrond. Niet alleen door de ondiepe scherptediepte bij grote diafragma’s, maar ook door de perspectiefcompressie. Achtergronden lijken dichterbij en zachter.
De wiskunde hierachter: bij een 135mm lens en een diafragma van f/2.0 op drie meter afstand is je scherptedieptezone slechts ongeveer 8 centimeter dik. Alles daarbuiten lost op in zachte bokeh. B&H Photo legt uit hoe deze relatie tussen brandpuntafstand, afstand en diafragma werkt.
Extreme telelenzen voor specifieke doelen
Lenzen van 200mm en langer gebruik ik voor wildlife en sport. De compressie wordt hier extreem. Bergen op de achtergrond lijken gigantisch. Een voetbalspeler lijkt vlak voor het publiek te staan, terwijl er tien meter tussen zit. Het nadeel is dat je veel afstand nodig hebt. Voor een portret met een 200mm moet je zes tot acht meter achteruit.
Hoe je de juiste keuze maakt
De vraag is niet welke brandpuntafstand de beste is, maar welke past bij jouw verhaal. Vraag jezelf af: wil ik context tonen of juist elimineren? Wil ik betrokkenheid of afstand? Wil ik dramatiek of neutraliteit? Mijn advies: begin met één vaste brandpuntafstand en leer die echt kennen. Ik heb een jaar alleen met mijn 50mm gefotografeerd. Dat dwong me na te denken over compositie in plaats van te zoomen.
Zoals fotograaf Jay Maisel zegt: “You always end up with too many pictures to edit and too few that you like.” De juiste brandpuntafstand helpt je selectiever te zijn bij het maken, niet achteraf. Test dit zelf: fotografeer hetzelfde onderwerp met verschillende brandpuntafstanden vanaf verschillende afstanden. Je zult zien dat elk beeld een ander gevoel geeft, zelfs als het onderwerp even groot in het frame staat.
Praktische tips voor directe toepassing
Start met deze richtlijnen. Voor landschappen: gebruik 16-35mm en plaats iets interessants in de voorgrond. Voor portretten met omgeving: 35-50mm werkt perfect. Voor klassieke portretten: kies 85-135mm en ga ver genoeg achteruit. Voor details en compressie: 200mm en verder. Onthoud dat deze regels geen wetten zijn, maar startpunten.
Experimenteer ook met onverwachte combinaties. Ik maak soms landschappen met mijn 135mm, waarbij ik één specifiek element isoleer. Of portretten met mijn 24mm, waarbij ik bewust de vervorming gebruik voor een dynamisch effect. Adorama biedt uitgebreide vergelijkingen tussen verschillende brandpuntafstanden.
Deel je eigen ervaringen hieronder. Met welke brandpuntafstand fotografeer jij het liefst en waarom? Welke ontdekkingen heb je gedaan bij het experimenteren met verschillende lenzen?

Ik ben Jeroen. Ik maak foto’s, maar vooral omdat ik graag kijk. Echt kijk. Dat begon ruim twintig jaar geleden met een Nikon D50, gekocht rond de geboorte van mijn zoon. Sindsdien is fotografie voor mij verweven geraakt met aandacht, nieuwsgierigheid en het vastleggen van momenten die anders ongemerkt voorbijgaan.
Ik ben iemand die wil begrijpen wat hij doet. Daarom zit ik net zo graag in de techniek als in het beeld zelf. Tegenwoordig werk ik met een Fujifilm X-T50: compact, eigenwijs, en precies uitdagend genoeg om me scherp te houden. Ik word blij van uitzoeken waarom iets werkt — of waarom juist niet.
Naast fotograferen schrijf ik over fotografie. Niet om te laten zien wat ik weet, maar om anderen mee te nemen in dat ontdekproces. Ik hou ervan om ingewikkelde dingen simpel te maken, zonder ze plat te slaan. Of je nu net begint of al jaren fotografeert: er valt altijd iets nieuws te zien, te leren, te verbeteren. Dat enthousiasme delen, dát is wat me drijft.
