Vorige week stond ik naast een collega-fotograaf op een persmoment. Hij had een Micro Four Thirds camera met een 25mm lens. “Dat is toch veel te kort voor portretten?” vroeg ik. Hij grijnsde. “Dit is een 50mm equivalent door de cropfactor.” Op dat moment realiseerde ik me hoeveel verwarring dit onderwerp nog steeds veroorzaakt. De cropfactor bepaalt namelijk hoe je lens zich gedraagt op verschillende camerasystemen. En dat heeft directe gevolgen voor je beelduitsnede, je lenzenpark en je portemonnee.
Wat is de cropfactor precies
De cropfactor beschrijft de verhouding tussen de sensorgrootte van je camera en het klassieke 35mm kleinbeeldformaat. Een fullframe sensor meet 36x24mm, exact zoals analoge 35mm film. Kleinere sensoren krijgen een cropfactor toegewezen die aangeeft hoeveel smaller ze zijn. Een APS-C sensor heeft bijvoorbeeld een cropfactor van 1,5x bij Nikon en Sony, of 1,6x bij Canon. Micro Four Thirds systemen hebben een cropfactor van 2x. Deze getallen zijn niet willekeurig. Ze komen voort uit een simpele berekening: de diagonaal van een fullframe sensor gedeeld door de diagonaal van de kleinere sensor.
Ik fotografeer al vijftien jaar met verschillende systemen. Mijn eerste serieuze camera was een Canon 40D met APS-C sensor. Later stapte ik over naar fullframe. Die overgang leerde me hoeveel impact de cropfactor heeft op je fotografische keuzes. De sensorgrootte beïnvloed niet alleen je beeldhoek, maar ook je scherptediepte en lichtgevoeligheid.

Hoe de cropfactor je beelduitsnede verandert
Hier wordt het interessant. Een 50mm lens blijft fysiek een 50mm lens, ongeacht de camera waarop je hem monteert. De brandpuntsafstand verandert niet. Wat wél verandert is het gezichtsveld. Op een APS-C camera met cropfactor 1,5x geeft die 50mm lens dezelfde beelduitsnede als een 75mm lens op fullframe. Je krijgt dus een smaller uitsnede, alsof je hebt ingezoomd. Daarom noemen we het ook wel de “crop” factor – je snijdt als het ware de randen van het beeld af.
Concreet voorbeeld: je fotografeert een landschap op vijf meter afstand met een 50mm lens. Op fullframe krijg je een ruim landschap met boom aan de zijkant. Diezelfde lens op APS-C geeft een kleinere horizon en de boom valt weg. Op Micro Four Thirds krijg je een close-up. Drie verschillende resultaten met exact dezelfde lens en afstand. Dit verklaart waarom veel straatfotografen juist kiezen voor kleinere sensoren. Een 25mm lens op Micro Four Thirds gedraagt zich als de klassieke 50mm op fullframe.
De praktische gevolgen voor je lenzenpark
De cropfactor heeft directe financiële consequenties. Wil je op APS-C hetzelfde bereik als een 24-70mm op fullframe? Dan heb je een 16-50mm nodig. Voor een 70-200mm equivalent volstaat een 50-135mm. Deze lenzen zijn compacter en goedkoper. Mijn Olympus 40-150mm f/4-5.6 kost tweehonderd euro en geeft me een 80-300mm equivalent bereik. Een vergelijkbare fullframe telelens kost makkelijk tien keer zoveel.
Fotograaf Sarah Chen vertelt: “Ik stapte over van Canon fullframe naar Fujifilm APS-C voor mijn reisfotografie. Mijn rugzak werd drie kilo lichter en ik kreeg meer bereik voor minder geld. De cropfactor werkt in mijn voordeel.” Dit is geen uitzondering. Veel professionals kiezen bewust voor crop-sensoren vanwege het gewichtsvoordeel en de extra reach bij wildlife en sport.
Scherptediepte en de cropfactor
Hier wordt het technisch genuanceerd. De cropfactor beïnvloedt indirect je scherptediepte. Voor dezelfde beelduitsnede moet je op een crop-sensor dichter bij je onderwerp staan of een kortere brandpuntsafstand gebruiken. Beide factoren vergroten de scherptediepte. Een 50mm f/1.8 op fullframe geeft een dunnere scherptediepte dan een 35mm f/1.8 op APS-C bij dezelfde beelduitsnede. Wil je exact dezelfde scherptediepte? Dan moet je het diafragma compenseren met de cropfactor.
De formule: vermenigvuldig je diafragma met de cropfactor voor equivalente scherptediepte. Een 25mm f/1.4 op Micro Four Thirds (cropfactor 2x) geeft vergelijkbare scherptediepte als een 50mm f/2.8 op fullframe. Beide geven dezelfde beeldhoek en vergelijkbare onscherpte. Dit verklaart waarom extreme bokeh lastiger te bereiken is op kleinere sensoren.
Wanneer de cropfactor een voordeel is
Ik fotografeer wildlife met een Olympus OM-1 en een 100-400mm lens. Dankzij de cropfactor van 2x krijg ik een 200-800mm equivalent bereik. Probeer dat maar eens op fullframe zonder een hypotheek af te sluiten. Voor vogelfotografie, sport en andere disciplines waar je veel bereik nodig hebt, is een crop-sensor goud waard. Je lenzen worden effectief twee keer zo lang zonder kwaliteitsverlies.
Ook voor macro-fotografie biedt de cropfactor voordelen. Meer effectief bereik betekent dat je verder van je onderwerp kunt staan bij dezelfde vergroting. Dit geeft meer ruimte voor verlichting en voorkomt dat je schaduw op je onderwerp valt. Landschapsfotografen profiteren van de grotere scherptediepte bij dezelfde beeldhoek. Minder snel heb je extreem kleine diafragma’s nodig voor volledige scherpte van voor naar achter.
De cropfactor berekenen
Laten we rekenen met concrete voorbeelden. Je hebt een Nikon Z50 met APS-C sensor (cropfactor 1,5x) en een 35mm lens. Vermenigvuldig 35 met 1,5 en je krijgt 52,5mm equivalent. Ongeveer een standaard portretlens. Heb je een Canon R7 met cropfactor 1,6x? Dan geeft diezelfde 35mm lens een 56mm equivalent. Een Sony a6400 met een 18-135mm lens? Dat wordt een 27-202mm equivalent bereik op fullframe. Handig voor reisfotografie waar je veel flexibiliteit wilt.
Voor Micro Four Thirds is de berekening nog eenvoudiger door de cropfactor van precies 2x. Een 12-40mm wordt een 24-80mm equivalent. Een 75mm wordt een 150mm. Dubbel het getal en je weet wat je krijgt. Deze voorspelbaarheid maakt het systeem aantrekkelijk voor mensen die van verschillende formats gebruikmaken.
Veelgemaakte denkfouten over de cropfactor
De grootste misvatting: “Een crop-sensor geeft slechtere beeldkwaliteit.” Onzin. Moderne APS-C en Micro Four Thirds sensoren leveren uitstekende kwaliteit tot hoge ISO-waarden. De fysieke sensorgrootte bepaalt wel je ruis bij extreem hoge ISO’s en je maximale dynamisch bereik. Maar voor de meeste toepassingen merk je nauwelijks verschil. Ik print mijn Micro Four Thirds foto’s probleemloos tot A2 formaat.
Tweede denkfout: “Fullframe is altijd beter.” Beter waarvoor? Voor extreme lage-lichtfotografie en maximale bokeh klopt dat. Voor wildlife, sport, reizen, portretten en straatfotografie bieden crop-sensoren juist voordelen. Het gaat om het juiste gereedschap voor de klus. Mijn fullframe Sony blijft thuis als ik een dag vogels ga fotograferen. Dan pak ik mijn lichtere Olympus met het effectieve 800mm bereik.
Jouw keuze maken
De cropfactor is geen technische hindernis maar een ontwerpkeuze met specifieke voor- en nadelen. Begrijp wat je fotografeert en kies daar je systeem op. Fotografeer je vooral portretten met extreme bokeh en werk je in lage lichtomstandigheden? Fullframe past bij je. Fotografeer je actie, wildlife of reis je veel? Dan biedt een crop-sensor waarschijnlijk meer waar voor je geld.
Ik gebruik beide systemen naast elkaar. Elk heeft zijn plek in mijn tas afhankelijk van de klus. Die flexibiliteit ontstaat door de cropfactor te begrijpen in plaats van ertegen te vechten. Welk systeem gebruik jij en hoe beïnvloedt de cropfactor jouw keuzes? Deel je ervaringen in de reacties hieronder.

Ik ben Jeroen. Ik maak foto’s, maar vooral omdat ik graag kijk. Echt kijk. Dat begon ruim twintig jaar geleden met een Nikon D50, gekocht rond de geboorte van mijn zoon. Sindsdien is fotografie voor mij verweven geraakt met aandacht, nieuwsgierigheid en het vastleggen van momenten die anders ongemerkt voorbijgaan.
Ik ben iemand die wil begrijpen wat hij doet. Daarom zit ik net zo graag in de techniek als in het beeld zelf. Tegenwoordig werk ik met een Fujifilm X-T50: compact, eigenwijs, en precies uitdagend genoeg om me scherp te houden. Ik word blij van uitzoeken waarom iets werkt — of waarom juist niet.
Naast fotograferen schrijf ik over fotografie. Niet om te laten zien wat ik weet, maar om anderen mee te nemen in dat ontdekproces. Ik hou ervan om ingewikkelde dingen simpel te maken, zonder ze plat te slaan. Of je nu net begint of al jaren fotografeert: er valt altijd iets nieuws te zien, te leren, te verbeteren. Dat enthousiasme delen, dát is wat me drijft.
